Home
Historie
Biljarthistorie
Feitjes
Onderling
Uitslagen onderlinge
Links
De verdediging
Team 1
Team 2
Team 3
Het bestuur
Strategie

HGL

De biljartvereniging in Kaatsheuvel

DRIEBANDEN:

Bij het driebandenspel moet de speelbal minstens drie banden raken vooraleer de derde bal geraakt wordt. De spelers zijn er steeds bedrevener in geworden om ook bij het driebanden aan seriespel te doen, dus om vooruit te denken. Gepoogd wordt van alle drie de ballen baan en snelheid te controleren, zodat na een gemaakt punt weer een redelijk te maken positie overblijft. Net als in de andere spelsoorten kan in meer of mindere mate tevens gepoogd worden om zodanig te spelen dat na het mislukken van de stoot een extra moeilijke positie voor de tegenstander overblijft. Dit verdedigende spel heet ‘carotte’ (‘wortel’). Het kan in een kampioenschap heel nuttig zijn, maar het drukt wel de grootte van de eigen series.

De topspelers spelen een partij over 50 caramboles (voorheen 60), maar er wordt ook vaak om sets van 15 punten gespeeld. Winnaar is dan degene die als eerste het afgesproken aantal sets (twee of drie) wint. Het voordeel van het setsysteem is dat er meer spanning in de wedstrijd komt (je kijkt nooit tegen een al te groot aantal punten achterstand aan), maar het nadeel is dat een serie van meer dan 15 punten niet meer mogelijk is, terwijl een grote serie bij het driebanden een van de bijzonderste spektakels binnen het carambolebiljart is. De hoogste serie bij het driebanden is momenteel in handen van 4 biljarters; Junichi Komori in 1993, Raymond Ceulemans in 1998, Roland Forthomme in 2012 en Frédéric Caudron in 2013. De Turk Semih Sayginir claimt ooit een hoogste serie van 31 te hebben gemaakt, maar dat was zonder arbiter en niet op een officieel toernooi.

LIBRE / VRIJ SPEL:

De eenvoudigste spelsoort is het libre of ‘vrij spel’. Er zijn geen restricties, de bedoeling is slechts om met de speelbal beide andere ballen te raken. In de negentiende eeuw vonden de topspelers al gauw een manier om zeer grote series te maken, de ‘série américaine’. Het is een manier van spelen waarbij de aan te spelen ballen dicht bij de band komen te liggen en waarbij bij elke stoot de ballen maar een paar centimeter opschuiven. Zo kan de hele band langs gewandeld worden en zelfs wordt het mogelijk om de aan te spelen ballen vast in de hoek te leggen.

Is dit laatste het geval, dan kunnen in hoog tempo honderden of duizenden punten gemaakt worden en om dat te voorkomen mag in de hoek niet meer alles (waardoor het spel niet langer ‘vrij’ is). In de hoek wordt met een dunne krijtlijn een driehoek afgetekend waarbinnen restricties gelden: liggen beide te raken ballen in de driehoek dan mag gewoon een punt gemaakt worden, maar liggen ze dan nog beide in de driehoek dan moet bij het volgende punt een van de ballen de driehoek verlaten. Die bal mag overigens wel weer in de driehoek terugkeren. Op de grote tafel is de driehoek ongelijkbenig met zijden van een kwart van de korte en de lange band (dus ongeveer 71 en 36 centimeter) en op de kleine tafel gelijkbenig met twee zijden van 17 centimeter, of in de hogere klassen die op klein biljart spelen een kwart van de bandlengte (ongeveer 57 en 29 cm).

Team 1 en 3 spelen driebanden.

Een spelsoort waarvan hieronder de beschrijving.

Team 2 speelt Libre.

Een spelsoort waarvan hieronder de beschrijving.

VLIEGT DE BILJARTBAL OP DE GROND,
WAS DE STOOT ECHT NIET GEZOND.


ALS JE STOOT MET HET ACHTERSTE VAN DE KEU,
BEN JE HET BILJARTEN WERKELIJK BEU.


WORDT DE WITTE SPEELBAL HEEL SNEL BLAUW,
GEBRUIKT MEN HET KRIJTJE VEEL TE GAUW.


IS DE KEU NIET RECHT MAAR KROM,
VLIEGT DE BAL HET HOEKJE OM.


ZONDER EEN GOEDE POMERANS,
MAAKT ZELFS EEN PERFECTE STOOT GEEN KANS.


OOK CEULEMANS KEEK HEEL ERG VERWONDERD,
VAN MIJN MOYENNE VAN VIERHONDERD.


OOK DE VROUWELIJKE SPEELSTERS MOETEN LEREN,
OM TIJDENS HET BILJARTEN, DE SPEELBAL TE MASSEREN.


GEBRUIK DE KEU EENS RUSTIG AAN,
HET LAKEN IS GEEN BEUGELBAAN.


VERSPREIDE BALLEN OP HET LAKEN,
ZIJN EN BLIJVEN MOEILIJKE ZAKEN.


JE MAG DE BAL MAAR EEN KEER RAKEN,
WIL JE GEEN TOUCHÉ’TJE MAKEN.

Het Groene Laken

En als je een stoot wilt maken,daar op het groene laken.
Dan word je onverschrokken, aan je mouw getrokken.
“Je mot ’t indirect doen”. “Je mot ’t met effect doen”.
“Die keu die is zo teer niet”. “Het is je jongeheer niet”.
Dus raak ‘m zonder eerbied. Dat je de bal nooit weer ziet.
En is die stoot dan toch nog mis. Dan heerst alom de droevenis…